Kater Toen ik twintig was, was ik verliefd. En ik was niet de enige: al mijn vriendinnen waren het, en allemaal op J. Maar ik bleek uitverkoren. Op een avond in november nam hij mij voor het eerst. Het gebeurde op een vochtige handdoek. Rillend onderging ik de passie, terwijl ik naar buiten staarde waar de maan scherp afstak tegen de donkere novemberhemel. Ik was niet gelukkig in die tijd, en mijn vriendinnen evenmin. Dat laatste was logisch; hadden zij tenslotte niet in plaats van mij op die vochtige handdoek willen liggen? Zelf werd ik bevangen door verlatingsangst. Op een avond dat ik met het Leids studentenorkest repetitie had, liet ik in de pauze resoluut mijn cello achter bij de lessenaar waar ik met mijn orkestmakkertje al jaren speelde. Ik trok mijn jas aan en liep naar de trein op weg naar J. Toen hij mij bovenaan de trap van het pand begroette, wist ik het zeker: hij hield niet van mij. Die nacht dronk ik sherry in de vensterbank, terwijl J. in bed de slaap der onschuldigen sliep. Over het water staarde ik naar het donkere damrak, dat nooit tot rust leek te komen. Tegen het krieken van de morgen leegde ik mijn maag in de wc. Zachtjes verliet ik het oude pand. De klap van de deur die achter mij dichtviel daverde door de stille straat. Eenmaal terug in Leiden viel er een zachte regen. Thuis trof ik mijn cello netjes ingepakt in een hoek van de kamer aan. Daar had mijn orkestmakkertje voor gezorgd. Er hing een briefje aan: Was het gezellig? Met kleren en al stapte ik in bed en droomde ik weg op de vlucht voor mijn kater, tot andermaal de avond viel. © Mariken
|
Doorkijk de nacht hield uitverkoop van dromen slingerde beelden door tijden heen bleef even in een kamer van herinner een kastje onder gordijnraam stond er alsof het al eeuwen daar hoorde te zijn de sfeer kleedde er een aanwezigheid bij een tafel was gedekt voor een moment om te zien hoe het portret in de lijst het thuishoren op het kleed verbeeldde de droom verwikkelde zich naar werkelijk wakker worden draaide zich zo onwillig om dat het heden ten dage nog voortsluimert © Ton Jansen |
Immor(t)aliteit En daar brandt hij zelf, geen maagd die op hem wacht. Hellevuur bestaat dus toch, als een bom van eigen deeg en een die blijft ontploffen: zijn lichaam wordt uiteengereten en dat keer op keer; geen sterveling die helpt. Godsdienstwaanzin loopt dood, maar zelfs de dood blijkt leven van eeuwigheid tot amen: onsterfelijk in de vlammen. Zijn zwaard der gerechtigheid, in verdorvenheid geheven, doet hem branden als de hel, net als toen het WTC. Geen traan blust dit inferno: dat is aan God, of Allah. © Paul Delfgaauw
|
Mijmeringen Het was augustus. Diep in mijn geheugen ligt de herinnering aan de zomervakanties uit mijn jeugd. De beelden zijn vaag en diffuus, maar warm en zonnig. Ze bevatten geen wanklank, zitten vol welbehagen. Bijna het paradijs dus. Ik ben net terug uit "Buitenkunst", dat heb ik ook beleefd als een soort van paradijs. Terwijl er toch een paar honderd mensen van zeer jong tot in de zeventig zonder enig comfort dicht op elkaar leven, is het een plaats vol rust. Een tijdelijke samenleving vol vrede en vriendschap. Je leent er aan volstrekt onbekenden je hebben en houwen uit. Dat haal je in de stad toch niet in je hoofd. Je laat je spullen onbeheerd achter. je sluit je tent alleen omdat het zou kunnen gaan regenen. Waar worden zoveel helpende handen uitgestoken als er iets met je misgaat, je iets overkomt? Maar dat is het niet alleen. Er is daar zoveel scheppend vermogen. Mensenstemmen laten engelengezang opklinken. Trommels en snaren, koper en hout produceren goddelijke ritmes en klanken. Prachtige kleuren en vormen worden er gecreëerd op het platte vlak en in de ruimte. Drama ontroert tot tranen, een lach weerklinkt bij het relativeren van de menselijke tekortkomingen. Alle uitingen van creativiteit worden beloond met eindeloze bewondering zonder de, meestal door jaloezie veroorzaakte, kritiek. Dat tref je toch niet op de kunstpagina's van de dagbladen. Het wordt bijna saai. Wij zijn niet meer aan paradijselijke toestanden gewend. Was er dan niets om over te mopperen? Zeker wel. Onweersbuien vormden moerassen. Wespen vergalden het eten en staken genadeloos toe. Maar de zon ging weer schijnen en zelfs de meest door allergische reactie ontstane zwellingen verdwenen weer. Toen de engel met het vlammend zwaard liet weten dat het mijn tijd was om verdreven te worden, dacht ik: Het was juli. Zou in augustus de zon nog feller, het water nog warmer en de nacht nog zwoeler geweest zijn? Maar ook in augustus zou ik er als een Ademloze Eva rondgewaard hebben. Ik ben weer thuis. Achter mijn inbraakbeveiligde huis, waar ik argwanend onbekenden aan de deur laat staan, ligt een tuin. Een appelboom staat midden in mijn mini Hof van Eden. Als mijn Adam eerdaags komt, heb ik geen slang nodig om hem te verleiden. Wij zullen intens genieten van de verboden vrucht, het echte paradijs is toch verleden tijd. © Riekje. |
|
Keltisch vergezicht (herinneringen aan Salland) In mijn milde vlucht naar het luchtig groen Gevelen huizen, stenen hekken, Drukke gesprekken langs mij heen. Beukenreuzen - door bladerendaken Suizen lichtzinnig door mijn spaken. September straalt nog steeds fluwelig Licht dat harsachtig wordt gedwarsboomd. Open plekken vlinderen echter, Heidekussens purperen. Voor een hutje wordt gedagdroomd. Parasolzwammen sporen mij aan Tot die horizon te gaan, Waar Merlijns hoogst eigen sprookjeseiken Als Avalon te nevelen staan. © A. v.d. Kraan |
|
Bouwen zwoegende gravers leggen dragende fundamenten kranen zweven de bouwstenen aan bij uitgezette lijnen die structuren markeren schachten rijzen als dragers van liften, in beton bouwsels krijgen vormen van creatieve geesten beloning komt met fobieën en gekke bedragen © Maily Agaton |